Het wordt tijd dat je het beseft: alles wat je doet, is gewijd aan de Ene
Waarom neem je het niet aan? Jij en de Ene sloten een eeuwig verbond. Al je ideeën over goed en kwaad waren speelgoed, telramen, oefeningen in de rekenkunst. Je hebt ze niet meer nodig. Nu kun je leven. Echt, waarachtig, in Liefde. Hafiz is de goddelijke gezant die je dit bericht komt brengen. Waarom dan richt je je pijlen nog op jezelf, op de Ene? Wat in die zoete stem, die je innerlijk verwarmt, boezemt je angst in?
Het wordt tijd dat heel de wereld het weet: elke gedachte, elke daad is gewijd aan de Ene. Nu is het moment om het te beseffen, het onmogelijke is waar: slechts Genade bestaat.
De tijd is rijp om het te beseffen: alles wat je doet is gewijd aan de Ene.
Afdwalen in rauwe gebroken holen naakte vuisten pijn beukt op het eeuwige land de tuin van de Moeder gestolen de Geliefde de fletse hardheid oude verlangens de creatie het bruidsbed zilte geuren mengen zich in boventonen langs de warme golven van haar zijde (brood en appelwijn) ondeelbaar wezen
Het is koud tussen de bomen de takken naakt kristal ik stoot mijn tenen aan het opgevroren spoor de sapstroom wacht in stilte op de warme adem van de Zon (klaar wakker in de grenzeloze maat)
Het rubber brandt van de dronken wagen wielen en blijft hangen aan de rauwe grond. De platgetreden paden opzichtig volgebouwd, een schreeuwende reclamefolder van de polder kruidenier.
Gespleten tongen in de donder, ijsbreker in de nacht. De draadloze delen ter ondersteuning geen rente meer om door te zakken.
Hij twijfelt aan de streken van het hart de woorden buitelen in vluchtige zinnen, blijven steken in de maag, de vleugels van de adelborst komen het beste tot zijn recht in de gezongen stilte zonder vraag.
De twijfelachtig eer werd opgeprikt in harde metalen sterren de boom gezaagd in stevige planken voor de aarde of het vuur, de tijd likt aan de wonden en proeft het radicale zuur, de poort nog niet gevonden de zegewagen veel te wild en werkelijk voor de idealen van het bestuur, te wild voor de dove, de domme en de blinde, voor de boekenworm, de schriftgeleerde, de theoloog, te wild voor de analyticus, de wetenschappelijk aangestuurde in onmachtige twijfel, de angst om in de spiegel te kijken naar de inwonende bron, de natuurlijke zegen van dit leven het sterrenstof dansend op de waterrijke aarde zonder ingespoten chemische preparaten in ijzeren karkassen of rottend vlees om het langer te bewaren in het streven van de magistrale Zon. De grijze muizen, de nissen krijgen vorm de volgende morgen, de waarde en de norm de nieuwste luchtkastelen vallen om van mateloos verlangen, op een grote paddenstoel rood met witte stippen zat kabouter spillebeen heen en weer te wippen. “Krak!”: zei de paddenstoel, en met een diepe zucht….
In de hemelse staat, zorgeloos een spelend kind, vrij, onschuldig, naakt, sluierloos, het evenbeeld, de reflectie van het grenzeloze, het ware is ondeelbaar, (zonder de krankzinnige behoefte aan goedgevulde kluizen voor de volgende generatie grijp grage ouwe rukkers.)